Over de kamerbrief van 13 oktober 2020 Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM)

Het CDM stelt dat de uitstoot van emissies uit emissiearme stallen flink hoger ligt dan verwacht. Hoe kan dat?

Het CDM-rapport bevestigt dat emissiearme stallen niet in alle gevallen de beoogde emissiereductie opleveren. Het rapport geeft ook aan dat meer onderzoek daarnaar nodig is. Het CDM-rapport biedt daarbij waardevolle adviezen om dat spoor verder uit te werken. Deze inzichten helpen om nog gerichter aanpassingen door te voeren die helpen de stikstofuitstoot in de veehouderij omlaag te brengen.

Het CDM stelt dat de totale stikstofemissies uit stallen en mestopslagen 40 miljoen kg hoger kunnen uitvallen dan verwacht. Wat zijn de gevolgen hiervan voor de uitgifte van vergunningen?

Het vergunningenstelsel werkt op basis van AERIUS Calculator. Emissiefactoren worden aangepast op basis van nieuwe wetenschappelijke kennis, en aangepaste emissiefactoren worden vervolgens verwerkt in AERIUS. Het is nog niet te zeggen wat de invloed hiervan zal zijn op het uitgeven van vergunningen, omdat dit ook sterk afhangt van de precieze locaties van projecten waarvoor een vergunning wordt aangevraagd. 

De emissiearme stallen zijn niet zo emissiearm als gedacht. Wordt het stallenspoor van de structurele stikstofaanpak hierdoor onzeker?

  • Wij concentreren ons er nu vooral op om dit spoor zo goed mogelijk uit te werken.
  • Er wordt eerst geïnvesteerd in innovatie en verder onderzoek. Alleen bewezen effectieve staltechnieken worden gesubsidieerd binnen de structurele stikstofaanpak.
  • Bij de uitvoering monitoren we de effecten voortdurend en sturen tussentijds bij indien nodig.

Welke back-up opties zijn er voor de structurele stikstof aanpak als de stalmaatregelen niet de gewenste opbrengst kunnen leveren?

  • Het kabinet verplicht zichzelf het hoofddoel – in 2030 zit de helft van de hectares natuur in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden op een gezond stikstofniveau – linksom of rechtsom te halen. Die doelstelling is ook opgenomen in het wetsvoorstel natuurverbetering en stikstofreductie.
  • In het wetsvoorstel zit een systeem van monitoring en bijsturing: het effect van de bronmaatregelen wordt jaarlijks getoetst en het herstel van de natuur elke twee jaar. Als  nodig stuurt het kabinet bij met aanvullende maatregelen.
  • Wanneer het stallenspoor (of een van de andere sporen in het maatregelpakket) niet het benodigde effect oplevert, wordt dat gecompenseerd door aanscherping of intensivering van andere maatregelen uit het pakket.

Wat voor invloed heeft het CDM-rapport op de subsidiemaatregelen die het ministerie heeft ontwikkeld gericht op emissiereductie uit stallen (zoals de Sbv)?

  • Investeringen in nieuwe staltechnieken worden pas gesubsidieerd nadat in de praktijk is bewezen dat de technieken voldoende effectief zijn. Dat geldt ook voor de Sbv.
  • De Sbv is daarom juist zo opgesteld dat eerst het onderzoeken en ontwikkelen van  nieuwe stal- en managementmaatregelen gesubsidieerd wordt en daarna pas de investeringen voor toepassing ervan op het erf.

Wat betekent het voor de pluimveesector dat de helft van de ammoniakemissie die we eerder niet berekend hadden, daar vandaan komt?

  • Het CDM berekent dat het mogelijk gaat om een onderschatting van ongeveer 8,8 miljoen kg aan ammoniakemissies.
  • Het grootste deel daarvan (4,8 miljoen kg) komt uit de pluimveehouderij.
  • Volgens het CDM worden daarmee eerdere signalen bevestigd dat de ammoniakemissies van het staltype volièrehuisvesting te laag zijn vastgesteld in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) van IenW.
  • Samen met de staatssecretaris van IenW verkent de minister van LNV daarom welke acties hierop ondernomen moeten worden. De staatssecretaris van IenW zal de Kamer hierover eind dit jaar informeren.

Wanneer komt het stalexpertisecentrum (dat praktijkmetingen zal doen) er?

Op dit moment worden de voorbereidingen getroffen en dit jaar wordt de benodigde apparatuur aangeschaft. Volgend jaar zal het expertisecentrum operationeel zijn en kunnen we gaan meten.